Het volgende verhaal verscheen in JR.W. Sinninghe’s “Spokerijen in Rijnland, Delfland en Schieland. Sagen, legenden en volksverhalen, veelal uit de volksmond opgetekend.” (1977)
“In 1566 werd te Rotterdam een vrouw, Geertgen Jansdochter, door de buren aangeklaagd omdat ze toveren kon. Ze werd gevangengenomen en bekende al vlug dat ze zestien à zeventien jaar tevoren met een duivel had kennisgemaakt en met hem op stap was geweest. Hij had haar geleerd dat ze door heksenzalf te bereiden en onder haar oksels te smeren door de lucht kon vliegen. Ze was de schoorsteen uitgevlogen en had met anderen die in de macht van de duivel waren, zowel mannen als vrouwen, op Goeree-Overflakkee, in het plaatsje Den Bommel, het nodige kwaad verricht. Zij en haar gezellen hadden daar mensen en vee ziek gemaakt en voor een misoogst gezorgd van het te velde staande gewas. Ze was zelfs naar Zeeland gevlogen om daar een veld met gerst te bederven. Onverwijld eiste de baljuw de doodstraf tegen haar. Hij wilde haar levend laten verbranden, maar Geertgen kwam terug op haar bekentenis, die zij wel uit vrees voor pijniging zal hebben afgelegd. Zij was helemaal verward geweest, verklaarde ze. Daarom besloten de schepenen nog geen vonnis te vellen. Eerst wilden zij advies van geleerden horen en dat advies moet gunstig voor Geertgen zijn uitgevallen, want zij werd slechts voor vijfentwintig jaar uit de stad verbannen. Die straf kreeg ze vooral omdat ze zoveel mensen, die te goeder naam en faam bekend stonden, had beschuldigd met haar door de lucht naar Den Bommel te zijn gevlogen om daar heksenstreken uit te halen.”

